Waterschappen

https://nl.wikipedia.org/wiki/Waterschap_(Nederland)

Een waterschap is een op basis van de Waterschapswet ingesteld openbaar lichaam dat in een bepaalde regio in Nederland tot taak heeft de waterhuishouding te regelen. Ook wordt de term waterschap gebruikt om de regio aan te duiden waarover die instantie zeggenschap heeft. Het gebied wordt deels bepaald door gemeente- of provinciegrenzen, maar vooral door stroomgebieden of afwateringsgebieden in een bepaalde regio. Vijf waterschappen in Utrecht, Zuid- en Noord-Holland dragen de naam hoogheemraadschap in plaats van waterschap. Een hoogheemraadschap is van oudsher een groot waterschap belast met de waterstaatszorg over een uitgebreid gebied, dat gezag uitoefende op lagere waterschappen. Per 17 mei 2018 zijn er 21 waterschappen in Nederland, in 1950 waren dat er nog ongeveer 2600.[1]

Taken

De volgende taken worden tot de taken van waterschappen gerekend: de waterkeringszorg, het waterkwantiteitsbeheer en het waterkwaliteitsbeheer.

  • De waterkeringszorg bestaat voornamelijk uit het beheer van 3200 kilometer aan primaire waterkeringen, zoals dijken, duinen en dammen. Deze bieden bescherming tegen hoogwater uit zee, het IJsselmeer en de grote rivieren. Daarnaast zijn er nog overige waterkeringen met een totale lengte van 14.900 km.[4]
  • Voor het kwantiteitsbeheer beschikken de waterschappen over ruim 6000 gemalen en verder tienduizenden kleinere waterkunstwerken om ervoor te zorgen dat een teveel aan water wordt afgevoerd of voldoende water wordt aangevoerd.[4] Voor de vele sloten geldt een onderhoudsplicht voor de aanwonenden. Het onderhoud van de sloten wordt jaarlijks gecontroleerd door schouwmeesters. In de 21e eeuw wordt er ook geëxperimenteerd met drones.[5]
  • Het kwaliteitsbeheer betreft zuivering van het afvalwater dat de huishoudens en bedrijven op het riool lozen. Dit wordt gedaan in 315 rioolwaterzuiveringsinstallaties.[4]

In Nederland waren waterschappen reeds in de Middeleeuwen verantwoordelijk voor het waterbeheer. De Nederlandse regering droeg in de jaren negentig de verantwoordelijkheid voor het zuiveren van afvalwater op aan de bestaande waterschappen en koos in het kader van de Richtlijn Stedelijk Afvalwater voor verwijderingspercentages per gebied. Vijfentwintig regionale waterschappen zuiveren anno 2011 het stedelijk afvalwater en zorgen ervoor dat ze in hun regio minstens 75% van de hoeveelheid stikstof en fosfor uit het afvalwater verwijderen.

In 1990 bedroeg de rioleringsgraad 96%.[21] Deze steeg tot 99,6% in 2008 door verdere inspanningen in het kader van de richtlijn stedelijk afvalwater. In 2006 werd 78% van de hoeveelheid stikstof en 82% van de hoeveelheid fosfor uit het afvalwater verwijderd.[22]

De Europese Unie maakt een onderscheid tussen kwetsbare en niet kwetsbare gebieden. Nederland past net zoals Vlaanderen overal de strengere normen voor kwetsbare gebieden toe. De richtlijn stedelijk afvalwater werd in de Nederlandse wetgeving opgenomen in het lozingsbesluit stedelijk afvalwater van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Wet Milieubeheer en in het Lozingenbesluit Afvalwater Huishoudens. Op 22 december 2009 werd de bestaande wetgeving rond het waterbeleid grotendeels samengevoegd in de Waterwet, die onder andere invulling geeft aan de kaderrichtlijn water.

In verband met de Coronacrisis in Nederland worden door de waterschappen in de zuiveringsinstallaties wekelijks metingen verricht om de lokale mate van besmetting door het SARS-CoV-2 virus aan te tonen. Er wordt gekeken of de metingen vaker kunnen plaatsvinden. De monsters moeten overal vandaan naar het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu voor analyse. Daarbij gaat het om 24-uurs monsternames. Met speciale apparatuur wordt er 24 uur lang elk uur een monster genomen. Van al deze monsters wordt vervolgens een analyse gemaakt. Met deze methode wordt voorkomen dat de meting slechts een momentopname is.[23] Het onderzoek van het rioolwater wordt ook als extra onderzoek voor de nationale drugsmonitor (NDM) ingezet.[24]