Droogte

https://waterberichtgeving.rws.nl/owb/droogtemonitor

Landelijk en regionaal beeld

Tijdens het droogteseizoen (1 april – 30 september) leest u in deze droogtemonitor de actuele situatie met betrekking tot droogte. Buiten het droogteseizoen vindt u hier de verwachtingen van de rivierafvoeren en beperkte aanvullende informatie. Alleen bij bijzondere omstandigheden wordt een aanvullende toelichting op de omstandigheden gegeven.Buiten het droogteseizoen kunnen watertekorten optreden. Het meest voorkomend is een vermindering van de vaardiepte op de Waal, IJssel, Nederrijn en Lek wanneer de Rijnafvoer bij Lobith onder de circa 1500 m3/s daalt. Verder kan bij een lage Rijnafvoer in combinatie met opzet door storm op de Noordzee een risico op achterwaartse verzilting ontstaan. De herfst en winter zijn daarnaast een belangrijke periode voor de aanvulling van het grondwater. De droogtemonitor is een product van de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling van het Watermanagementcentrum Nederland (WMCN-LCW) met bijdragen van de waterschappen, Rijkswaterstaat, het KNMI, de provincies, het ministerie van LNV en Vewin.

Water vasthouden voor de zomer?

We worden vaak gevraagd waarom we in de winter het vele water niet vasthouden voor de zomer. Daar is niet genoeg ruimte voor. Wel benutten we alle beschikbare capaciteit om water op te slaan. Dit doen we bijvoorbeeld in bergingsgebieden zoals de uiterwaarden en het IJsselmeer.

In het IJsselmeer slaan we ruim voor de zomer extra water op. In het najaar laten we het water weer zakken, om zo het risico op overstromingen te beperken. We willen niet dat midden in het storm- en hoogwaterseizoen onze bergingsgebieden al helemaal gevuld zijn met water. We hebben deze gebieden hard nodig om bij hoogwaterpieken water op te vangen.

Regionale verschillen

We zijn voor de watervoorziening afhankelijk van regenwater en van de wateraanvoer vanuit de Rijn en de Maas. De rivieren voeren water (smeltwater en neerslag) aan uit andere landen. Het rivierwater stroomt naar de lager gelegen delen van Nederland. We kunnen het dus niet zomaar overal heen leiden. 

Niet op alle plaatsen in Nederland valt evenveel neerslag. Het neerslagpatroon kan jaarlijks variëren. De aanpak van droogte verschilt daarom per regio en van jaar tot jaar. Het beschikbare water proberen we zo goed mogelijk te verdelen.

  • De hoge zandgronden zijn volledig afhankelijk van regenwater; het rivierwater kan deze gebieden niet bereiken. Dit zijn vooral de gebieden in het zuiden en oosten van Nederland en in Zeeland. Het beschikbare water moet dus worden vastgehouden of bespaard. Waterschappen kunnen bijvoorbeeld een beregeningsverbod instellen voor boeren.
  • In het gestuwde deel van de Maas en de Nederrijn kunnen we het waterpeil beïnvloeden met onze stuwen, sluizen en pompgemalen.
  • Bij droogte kan in West-Nederland en het IJsselmeer verzilting optreden. Door minder vaak te schutten proberen we het zoete water zo veel mogelijk vast te houden. Een ander voorbeeld is het bellenscherm in het Amsterdam-Rijnkanaal: dat zorgt ervoor dat het zoete water zo veel mogelijk gescheiden blijft van het meer verzilte water van het Noordzeekanaal.